Bericht 6
Mijn trouwe volgers, zo die er zijn, zullen mij een tijdje gemist hebben. Dat komt omdat ik, na weken van koud weer, bewolking en mist, weer eens een zonnetje wilde zien en een beetje plezierig op een mooie plek wilde rondfietsen en rondkijken. Eind februari besloot ik daarom naar de Canarische Eilanden te vertrekken, waar het volgens de folders ‘eeuwig lente’ is. De dag dat ik naar Las Palmas vloog brak in Nederland de zon door en die is nauwelijks meer weg geweest tot voor enkele dagen, toen de winter zijn intrede opnieuw deed. En wat die ‘eeuwige lente’ van de Canarische Eilanden betreft: in dit verband blijkt het woord ‘eeuwig’ zijn beperkingen te hebben. Kortom: als er ooit een kampioenschap ‘Op het verkeerde paard wedden’ wordt gehouden, zal ik ongetwijfeld hoge ogen gooien. Koude, harde wind en veel bewolking waren mijn deel op die eilanden in de Atlantische Oceaan, voor de kust van Marokko. Gelukkig waren er ook nog een paar dagen met acceptabel weer, waarop ik nog wat aardige tochtjes kon maken. Daarover nu dit korte bericht, maar eerst de oplossing van de strikvraag, waarmee ik mijn vorige bericht afsloot: Hoe ver staat het bord op foto 67 van de plek vandaan waar ik foto 68 maakte?
Met het woord ‘strikvraag’ had ik mij natuurlijk al een beetje verraden. Het is niet 20 meter, 10, 20 of 50 km, maar ongeveer 9600 km, want Argentinië heeft ook een provincie Cordoba en daar staat dat door mij gefotografeerde bordje. Dat ‘ongeveer’ is helaas een zwaktebod van mij. Ik heb het uit luiheid met een liniaal op de wereldkaart in een atlas nagemeten: 16 cm op een schaal van 1 : 60 miljoen. Als je het nauwkeuriger wilt weten, zoek dan in een encyclopedie het onderwerp ‘Boldriehoeksmeting’ op. Daar staan ongetwijfeld mooie formules waarmee je de afstand tussen twee punten op aarde met gegeven coördinaten kunt berekenen, maar dat valt buiten het bestek van dit verhaal.
En nu de Canarische Eilanden: 23 Februari vloog ik naar Las Palmas en van daar fietste ik langs de noordkant van Gran Canaria naar Agaete in de noord-west punt van het eiland. Hier werd de route mooi, althans dat hoorde ik van kenners. Helaas kon ik dat zelf niet ontdekken omdat het zwaar bewolkt was en er een koude harde wind woei. Om onder een grauwe hemel tegen een storm in te gaan beuken, nog wel op steile hellingen is een slecht idee voor een mooiweer fietser, zoals ik. Veel werk voor weinig. Enigszins lusteloos klauterde ik bij Puerto de las Nieves, daar vlakbij en aan de kust, op een rotsberg en keek uit over de woeste zee met schuimkoppen op de golven.
Op Tenerife, het buureiland, was het op dat moment mooi zonnig weer en dus nam ik een moedig besluit: in een apotheek kocht ik een doosje pillen tegen zeeziekte, nam er een van in, fietste naar de aanlegpier van de ferry naar Santa Cruz de Tenerife en scheepte mij in ondanks metershoge golven. Op de schommelende boot stond ik versteld van mezelf of van de kwaliteit van het pilletje, want ik werd niet zeeziek, terwijl ik mij al verzekerd had van een flinke plastic zak om de inhoud van mijn maag, zo die in mijn slokdarm omhoog zou komen, in te spugen. Een paar stoelen bij mij vandaan zat een echtpaar ijverig gebruik te maken van dergelijke zakken. Ik wilde ze allebei zo’n wonderpilletje cadeau doen, maar dat had volgens de stewardess, die het de passagiers naar de zin poogde te maken, geen zin meer. Zo’n pil moet je een half uur voor de reis innemen.
Als een oude zeerot doorstond ik deze maritieme beproeving, zo goed zelf, dat de gedachte bij me op kwam om na deze reis eens voor de aardigheid de wereld rond te gaan zeilen en dat terwijl mijn grootste prestatie op water tot dan toe de oversteek over de Loosdrechtse Plassen was geweest tijdens een schoolzeildag.
In Santa Cruz bleek het weer inderdaad beter te zijn dan bij Puerto de las Nieves. Ik fietste de oude door de heuvels slingerende weg naar het zuiden van Tenerife en schoot een paar plaatjes met mijn camera..
Terug op Gran Canaria, na alweer een boottocht van ruim een uur heldhaftig doorstaan te hebben, ook nu zonder gebruik te hoeven maken van de plastic zak om de vloer van de boot schoon te houden, zocht ik het zuiden van het eiland op. Daar is het weer doorgaans beter is dan in het noorden en ook nu was het weer acceptabel. Ik fietste naar het stuwmeer van Soria, dat er met de zon prachtig bij lag.
In het dorpje Soria, niet toevallig vlakbij de stuwdam van Soria gelegen, kon ik tot mijn stomme verbazing een kamer huren in de plaatselijke herberg. Bijna alle accommodatie op Gran Canaria en Tenerife was steeds volgeboekt, want iedereen boekt tegenwoordig met zijn telefoon vooruit, het liefst voor de hele reis. Ik vind dat een dom systeem, want als je het ergens mooi vind, kun je er toch niet een dag extra blijven, omdat anders de rest van de tocht in de soep loopt. Maar door dit nieuwe domme vooruitboeksysteem blijkt het opeens dom te zijn om niet vooruit te boeken, want dan heb je dus een grote kans dat je nergens terecht kunt. Meestal ging het, als ik ’s avonds ergens aanklopte voor accommodatie, aldus: “Heeft u een eenpersoonskamer?”
“Voor wanneer?”
“Voor nu natuurlijk.”
“Voor nu??”
“Ja, uiteraard voor nu.”
“Eens kijken,” en dan kwam het grote afsprakenboek op tafel. “Voor nu heb ik niets, maar op 23 oktober van dit jaar heb ik een kamertje voor u vrij. Zal ik die dan alvast maar noteren?”
Dat hoefde hij dus niet. Vervolgens kon ik naar weer een andere plek met weer die domme vraag of er voor deze dag een kamer vrij was. Hier in Soria viel het dus mee. Ik kreeg een mooie, maar niet al te goedkope kamer (met badkamer en keuken) die ik als basis kon gebruiken om daar in de omgeving de volgende dagen wat rond te kijken.
De dag hierna maakte ik een flinke wandeling in de fraaie bergachtige omgeving van Soria. Ik stak de dam over en klom over een steil voetpad circa 300 meter omhoog, waarbij ik langs inspirerende rotspartijen kwam.
De volgende dag maakte ik een fietstochtje in de omgeving zonder bagage. Dat reed een stuk lichter dan met de normale bepakking, maar licht was het toch niet, want ik moest van 650 meter hoogte klimmen over een weggetje met erg steile stukken er in naar 1300 meter hoogte.
Enkele dagen later ging ik met mijn fiets en alle bagage weer omhoog, zelfs naar ongeveer 10.000 meter! Dat ging nog veel lichter dan op een racefiets, maar dat kwam omdat ik werd geholpen door krachtige vliegtuigmotoren. Omlaag ging het na vier en een half uur ook weer en zo kon ik 24 maart met veel mooier weer dan ik op Gran Canaria had gehad, terug fietsen naar huis. Daar leek het alsof de zomer al begonnen was, maar voorlopig zitten we weer in de winter. Het weer is wispelturig en niet alleen op de Canarische Eilanden!
In mijn volgende bericht (nr. 7) pak ik na dit intermezzo de draad in Spanje weer op, waar ik de vorige keer ben blijven steken.